Kars Persoon : the quest for reality

 

‘Het beeld bestaat door het besef dat
nieuwheid niet zonder het afscheid kan’.

 

Februari 2016

 

 

Daarbuiten voor altijd staat het spechtvrouwtje ( “ze verschijnt nooit volkomen toevallig”). Recht en geduldig. Niet langer hout maar levend waakzaam is ze, en altijd fris. Met zekere slag direct gehouwen en beschilderd. En wie haar ziet is onmiddellijk betoverd net als zijzelf. Ze is als een ‘Kouros’ met opgeheven spechtenkop die weet heeft van het hele bos. Ze heeft de stem van een oude indiaan. Haar vleugels zijn een geschenk van de wind, een belofte. Zij en ik wachten en luisteren. Het is stil nu. Ze lokt me.

In het werk van monique ijsseldijk is het werkproces in ieder individueel verschijnen van het beeld intensief aanwezig. In andere woorden:

‘It belongs to the nature of a ‘being’ that it is a potential for every ‘becoming’’.

We vinden aan de oppervlakte van het beeld het betekenisvolle van het in de wereld zijn. Dat betekent dat ieder werk het essentiële bewaard, het inwendige, het vermogen om te zijn als een levend organisme. Het ene werk komt uit het andere voort, maar betrekt daarbij ook nieuwe ervaringen. Er is een spoor, er is tijd, er is een grondthema en het weeft zich door alle werken. Het beeld voedt mijn schouwend oog. Ik besef door het werk dat het oog en wat bekeken wordt een
levende eenheid vormt, dat ze even nauw samen horen als voedsel en spijsverteringsorganen.

‘In this way the work of art is a message from the unseen. It unloosens depths of feeling from behind the frontier where precision of consciousness fails.’

En zo ontdek ik dat de woorden, deze geschreven taal de concrete tastbare werkelijkheid van haar beelden niet kan vertalen. Dat de begrippen het leven conceptualiseren. Dat het reflectie genoemd wordt, contemplatie, bezinning, theorie, dwaling. Het zijn de beelden zelf die me helpen dat deze woorden me niet verleiden om de zinnen uit te schakelen. Het beeld en het oog eerst. Het waarnemen is ademen. En al gaf welliswaar het werk “ze verschijnt nooit volkomen toevallig” het voorbeeld om de wereld te bezingen, haar stem komt van een andere tijd, waar causaliteit en doel niet bestaan. Zij leert ons dat we alles kunnen aanraken met onze ogen.

Een werk van monique ijsseldijk is een levend gebeuren waarin het vele in het ene is opgenomen, wat het proces kenmerkt. Het werk als een uniek actueel wezen, welke bij iedere beschouwing steeds opnieuw fris en actief verschijnt. Het geeft het onbegrijpelijke een plaats, ruimte en tijd om een notie van het onbegrijpelijke te vormen. En al is het beeld stil en al verzwijgt het zelfs het onuitspreekbare, voor het oog is het hier een geschenk en het werkt en het nodigt mij uit, plaatst mij in het tegenover waardoor ik mij kan verbinden en al de woorden hier voelen zich verlegen bij het beeld en haar werking.
In het werk “traces of her” vormt het spoor van de handeling een ontwaken. Ik denk aan de oeroude grot met haar schilderingen. De eerste sporen van nabijheid en tederheid. Hoe het oog haar lichaam viert. Een zijn in het heden vol van verleden en altijd op weg. In het ogenblik een verschijnen en verdwijnen. Een gewaarworden van de oeroude vraag: ”waarom is er iets en niet veeleer niets.” Ik zie de bloei van de betovering. Ik denk aan het vers van Agelus Silezius :

‘Die Ros’ ist ohn’ Warum, sie blühet weil sie blühet.
Sie achtet nicht ihrer selbst, fragt nicht, ob man sie siehet.’

Ik herken de figuur hier als de roos die bloeit, ze is de muze die opbloeit uit het hout. De etymologie van het woord ‘bloeien’ voert in de richting van noties als ‘zwellen’ en ‘zich ontplooien’. Hier is een groei van binnenuit bedoeld, en die gericht is op al de werken die nog komen, het creatieve welke door haar eigen innerlijke wetmatigheid, ‘the feeling’, bepaald wordt. De figuur is een aanwezigheid die het anonieme zijn van het hout doorbreekt, mij bevestigt. Een bloeiende aanwezigheid die je niet kan ontkennen, die eerbied oproept.

En dan verschijnen “1.61 m.” , “hiëronymus”,
“ toekomstige archeologische vondst”, “it’s a matter of
resonance” en “ik zucht stille donkere tranen”.

De werken drijven de wereld binnen, ze zijn de kloppende emotie van een verleden dat in nieuwe transcendente feiten opbloeit. En tegelijk onthullen deze werken, en in het bijzonder in “ik zucht stille donkere tranen” mogelijk ook de vraag of deze creatieve impulsen niet eerder komen van de toekomst.

‘Why not say present creativity comes from the future?’

De plotselinge openheid, de potentie, het wachten, het uitstellen, het luisteren, de contrasten, het afstemmen. Alles dient zich onmiddellijk aan, met een feilloze intuïtie voor de emergentie. De keuze komt van het ritme en de dans tussen intuïtie en wil. De werken bevinden zich in een ruimte, en ieder afzonderlijk deel bestemt een ander deel en door het contrast met andere delen wordt haar individuele verschijnen benadrukt. Samen zijn ze qua maat en vorm op elkaar gericht . Het is de sensatie van de synergie. Als bij een muzikale gestalte zoals een Fuga van Bach. De Fuga wordt gekenmerkt door een dynamische dialoog tussen thema en tegenstemmen (kontrapunt en antwoord genoemd) waarbij de organische eenheid van de Fuga er voor zorgt dat alle stemmen van uit één grondthema stammen, verbonden met haar precieze intuïtie.

“it ‘s a matter of resonance” gaat over plaats, maat, aanwezigheid, afwezigheid, onthullen en verhullen. Het is dit werk in het bijzonder waar de betovering van relationaliteit wordt ontdekt en gevierd. De maat der dingen in de ruimte, de ruimte zelf in verhouding tot het eigen lichaam en dat culmineert in het werk “ik zucht stille donkere tranen”. Maar in dit werk wordt meer zichtbaar. Wanneer ik in detail reis door de situatie van het werk word ik door de vraag die er in besloten ligt aangegrepen. De schijnbaar toevallig achtergelaten plastic teiltjes, de opstelling van de kasten, de zwart-wit afdrukken van het bos, het versteende gevleugelde dier, de verborgen potloodtekening in de onbeschilderde kast, de achtergelaten witkwast in de witgeschilderde kast rustend op omgekeerde keramieke kopjes. Wat is het wat ik hier op het spoor kan komen? Wie is hier op zoek naar zijn oorsprong? Waar grenst de artificialiteit van het beeld aan de werkelijkheid? In de spontaniteit van deze situatie is veel vrijheid voelbaar. Het beeld is meer een werksituatie dat toont dat een onderzoek nog in volle gang is. Midden in het proces is alles achtergelaten in een raadselachtige schoonheid. De zwart-wit foto’s duiden op een struinen door een woest bosgebied en maken mij het zoeken duidelijk. Een zoeken naar vrijheid, naar nabijheid. Vlakbij, vlakbij, een aanwezigheid, is het hier of hier?
Dan kijk ik weer terug naar de situatie. De teiltjes duiden misschien op een hevige lekkage. Het geschilderde beeld verschijnt door de in de teiltjes opgevangen vloeibaarheid. Een beeld van ontvangen en wegschenken. Plotseling moet ik denken aan de tragiek van een voortdurend voortgaande wereld welke is gelegen in het voortdurend verdwijnen van de dingen en het fatale begrip van het determinisme. In het determinisme wordt het subject als vrij ontwerp volkomen weggedacht. Haar tragiek bestaat uit de benauwenis van een wereld die stomweg gebeurt zoals ze gebeurt, volgens staalharde mechanismen, zonder enige uitweg. Is dan iedere gebeurtenis voorbestemd, gepredestineerd om zo-te-zijn? Is iedere gebeurtenis een betekenisloos incident in die betekenisloze keten van het determinisme. Nee. De scherpte en de schoonheid van het werk onthult dat zij hier lijnrecht tegenover staat. Hier is het gebeuren een subjectieve act. Ze introduceert een volstrekt uniek moment, een nieuwheid in de wereld. Een introductie van nieuwheid betekent een afstand nemen van het oude. Met de optimistische visie dat ieder ‘zo-zijn’ doorbroken kan worden. En toch toont het beeld ook een melancholie. Het beeld bestaat door het besef dat nieuwheid niet zonder het afscheid kan. Hoe de dingen en gebeurtenissen wegstromen in het verleden. Het onthult dat ieder moment van het individu en haar nieuwheid ook weer voorbijgaat. In haar oneindige relaties binnen het universum is ze slechts een minuscuul onderdeel van de eeuwige voortgang. Het gaat over ‘behoud’ en ‘stroom’ en over ‘orde’ en ‘nieuwheid’, ofwel het wezen van het creatieve proces.

In het werk “hiëronymus” worden die tegengestelde krachten van behoud en stroom ook heel scherp
gepresenteerd. In de twee beginregels van een engelse hymne wordt dit contrast ook goed weergegeven:

‘abide with me; fast falls the eventide’

Ik zie het het beeld met de ezelsoren “het verlangen naar het hebben van een ezel”. Het beeld lokt mij. Wat kan ik weten over de werkelijkheid achter het proces? Ben ik niet even verbaasd als de luisterende en vragende oren van de ezel, die te zien zijn op de video die bij het werk verschijnt? Langzaam wordt het me duidelijk dat ikzelf mee in het proces zit. Het werk lokt en transformeert, maakt me deelnemer aan haar bestaan. In haar verschijning toont ze ook een wachten, de potentie van haar mogelijkheden, en in deze open schijnbaar nog niet definitief bepaalde verschijning schuilt de betovering, de schok ook die ik ervaar als ik voel wanneer mijn passiviteit niet langer getolereerd wordt. Drama betekent handeling. Je zou kunnen zeggen dat het beeld een gebeuren is dat door het afgesloten louter esthetisch object heen breekt en mij erbij betrekt. Het gebeuren van het beeld is het verhelderen van de alomvattende relationaliteit. Het beeld is een gebeuren omdat het al haar toeschouwers verandert van passieve voyeurs in actieve deelnemers.
Ik zie het raadsel van het beeld en kan niet anders dan proberen de betekenis te achterhalen. Elke intens zinnelijk fragment draagt bij aan de verscherping van mijn betovering en verlangt tegelijk naar onthulling.
Haar schitterende schijn, al de samengevoegde delen vormen een extract van de werkelijkheid en vormen een nieuw gebeuren, een nieuw beeld. Het beeld is een levend organisme en daarom huist in haar ook het ‘aldoor nemen wij afscheid’. Afscheid is het laatste woord van het leven. Het voortgaan en afscheid nemen is niet alleen aan het einde van het leven, maar het is steeds gaande. In het beeld leeft :

‘Die Erinnerung an das Innigergewesen sein’.

Het is wat Rilke dicht in zijn achtste elegie :

‘Und wir: Zuschauer, immer, überall,
dem allen zugewandt und nie hinaus!
Uns überfüllts. Wir ordens. Es zerfällt.
Wir ordens wieder und zerfallen selbst.

Wer hat uns also umgedreht, das wir,
was wir auch tun, in jener Haltung sind
von einem, welcher fortgeht? Wie er auf
dem letzten Hügel, der ihm ganz sein Tal
noch einmal zeigt, sich wendet, anhalt, weilt-,
so leben wir und nehmen immer Abschied.’

Maar meer nog dan het voorbijgaan is in het beeld het opene. Zoals het kind leeft in het opene. Het kind kent de vergankelijkheid niet . Het speelt, het is met de dingen en in haar openheid niet alleen. Het opene is daar wanneer we zeggen het werk (het beeld) werkt. Van binnenuit oprijzend ontsluit het werk een wereld en houdt die als heersende verblijfplaats open. Werk-zijn houdt in: een wereld op(en)stellen.
En hier is dat een gedenken, een gelaagdheid, een verbinden , ja, een Fuga! Het is deze polyfonische veelzijdigheid welke monique van werk tot werk met een fijnzinnige feeling heeft ontwikkeld. Het werk vraagt mij haar wereld thuis te brengen. En wel door mee te reizen, haar geschiedenis te herkennen, de samengestelde dingen uit een leven, al haar herinneringen en al haar relaties, te zien opbloeien in mijn herinneringen. Ik zie hoe nadrukkelijk de getoonde dingen in relatie staan, in hun deelname van voorbije dagen. En hoe zij nu, eenmaal getransformeerd, in een werk deel hebben aan een werking welke het voorbije omtovert in het toekomstige. En ik zie hoe het groen dit steeds opnieuw fris en afgestemd ‘hier-zijn’ benadrukt . Het is de Fuga, het verbindende, en ik besef dat dit visuele gedicht mij laat zien hoe een herinnering steeds opnieuw in het hier en nu actueel en actief aanwezig is, dus niet iets wat voorbij is waar je op terugkijkt, maar werkzaam is en zelfs het toekomstige mede bepaalt. Zo is het werk een kleine tempel, een plaats waar leven te voorschijn kan komen en gevierd wordt wat de Grieken al vroeg de ‘Physis’ noemden.
Gebeurtenis in het duits is ‘Ereignis’. Er-eignen betekent oorspronkelijk: er-äugen, dat wil zeggen in de blik vallen, in de blik tot zich roepen, toe -eigenen.
Wat het beeld viert is de poëtische vrijheid waarin alle attributen naar elkaar toegewend zijn, hoe het zijn van het groen, of het groen als kleur van het zijn zich al het verschil toeëigent. Hoe de dingen van alledag willen samenhoren, en afgestemd worden in een harmonie. Hoe de dingen deelnemen aan een gebeuren. En al hadden ze door de tijd heen deel aan vele herinneringen, nu zijn de delen door de concresence onlosmakelijk samen en actueel in een nieuw gebeuren. Een gebeuren met een eigen identiteit . Werkzaam in ieder moment roept het mijn blik. Met in de kiem de scherpe gerichte intuïtie van Monique. En in de volgende overweging herken ik de magie van het beeld:

‘How the past can have a role in shaping the present, if the past is truly perished. It seems that it may play a role only through the agency of something that by its very nature extends into the present.’

En uit die haast vergeten dagen is het weer hier. Het vurige en stille licht wat langs de meubels strijkt, het geroep voor het avondeten, de vertrouwde stem van alledag op een plechtige tijdstip. De veilige tijdloze dagen en hun uitgestrektheid. Onmerkbaar veranderende zinloze dingen in werkzame attributen voor mijn vliegend schip. Door het automatisch geopende dak stijgt mijn eenzame slaapkamertje, hoger en hoger boven de uitgestrekte blozende velden . De hemel is karmozijn en de trage zomerwolken tonen hun oneindig vele gezichten. Mijn gewichtloos schip maakt een duik en zweeft vlak boven de boomtoppen waarin een specht onbevangen opkijkt . Als een schaduw valt het zachte groen over de dagelijkse dingen. Een kastje, twee dozen, een opgevouwen stretcher, een wasmand, heel precies schuift het mee met de wendingen van mijn schip. Het geruis van het schip verjaagt de stilte van het veld. De ezel met steeds die reine ruimte voor zich verbaast zich nu over dat vreemde geluid en die onbekende schaduw . Haar oren trillen en proberen het geluid te duiden. Het geluid van het weefsel. Ze heeft geen weet dat ze hier is in mijn herinnering . Ik zie haar van nabij en van boven. Ik vlieg met de dingen, alles ademt en fonkelt en even ben ik in het toeschouwen vrij van het voorbijgaan.

‘It is the process whereby a plurality of entities become a new unit of experience. The many become one, and are increased by one.’

Creativity is “an ultimate which is actual in virtue of its accidents’.

“belangrijke gebeurtenissen” (2015), acht delen-één werk, ingebed in een totaliteit van het beeld. Evenzo als de voorafgaande werken staan ze in de voortgang van het proces. Haar waarde leeft in de ervaring. Tijd en openheid willen zich binden aan een plaats. Een waarde-plaats bepaald door de resten van een handeling. De keuzes, limitaties en differentiaties bepalen de importantie. En zie hoe het externe binnentreedt in de ervaring, als”dat-daar” met betekenis voor mij. Ja, het beeld is expressie en het is een daad van selectie. Het verschijnt op de snede van ‘permanence’ en ‘flux’. Het beeld toont de dynamiek van een creatief proces, wording van het nieuwe uit het oude. In de handeling is een potentie die de onbegrensde mogelijkheden begrijpt en beteugelt middels het scherp stellen van de particuliere keuze .

‘Importance passes from the world as one to the world as many; wheras, expression is the gift from the world as many to the world as one’.

Het beeld van monique toont mij hoe de notie van importantie, individuele originaliteit van de selectie en individuele expressie ten zeerste met elkaar samenhangen. Kijkend naar de delen van het werk afzonderlijk begrijp ik hoezeer ze de andere delen nodig hebben om aan hun causa sui te ontkomen. Dat het juist om die nabijheid gaat. Als noten in een melodie. De delen behouden hun individuele waarde, of gebaren, een eigen maat en een eigen stem. De verschillen vormen de contrasten, ze versterken ook juist die eigenheid der dingen. Dankzij die contrasten kan er afstemming plaatsvinden. En met de precisie waarmee ze geplaatst zijn en waaruit blijkt dat ze elkaar nodig hebben, behoren ze tot een tempelplaats. Een plaats voor een ritueel. Een zwijgend menuet, maar het zwijgt niet langer wanneer ik kijk. Het is de choreografie van het perfecte en imperfecte die de ontroering teweegbrengt. De energie van het beeld wordt voelbaar wanneer het bliksemlicht van deze schoonheid je bereikt.

‘Creativity “drives the world ; it is the throbbing emotion of the past hurling itself into a new transcendent fact.’

En met wat ik van dit werk heb meegekregen zo kijk ik ook naar “sometimes theoretical green does happen” (2015) en “I’m not thirteen and hurting, I’m fourteen” (2015) en hoe de projectie in dit werk van het voorbij razende landschap over de verschillende houten containers valt. Iedere container een eigen vorm, een eigen herinnering. Uit het werkelijke leven komen ze, de werkelijke attributen uit die grenzeloze kindertijd, gekoesterd en bewaard. Het kinderfietsje, de knuffelbeer en andere dingen, ze hebben de kristalvormen bepaald. Ze zijn meegenomen in het proces, getranscendeerd. En verder nog, door het onstoffelijke van het lichtbeeld aangeraakt, een projectie van een landschap uit het verleden of is het een landschap van morgen, een projectie als een conceptie, zodat de heilige herinnering, voor altijd niet alleen hier wordt bewaard, als een kristallisatie, maar vooral dat iedere herinnering is als een veelzijdige kristal die andere herinnering in haar facetten spiegelt en levend houdt. Het beeld onthult de betekenis van herinneringen voor elkaar en haar invloed in het heden.

‘Creativity seems to be an ultimate primordial many, with no unifying source’.

Is het beeld een kristallisatie van de intuïtie van de tijdsduur, raakt het aan de stof van het leven, is het beeld niet een geïntensiveerde realiteit, waarbinnen het ogenblik, op het moment dat het voorbijgaat, zich handhaaft, ongescheiden van het heden bewaard blijft, zich ophoopt?

De video “en het blad mompelt” (2016)

Op een winderige namiddag is de hertshoorn buiten op de binnenplaats neergezet. In de schijnbaar probleemloze tijd vlak na de oorlog sierde deze plant veelvuldig het typisch kleinburgerlijk milieu met een eigenwijze schoonheid. En ondanks de heftige wind en het onrustig bewegen van de lange bladeren is er een grote stilte. We zijn getuigen van een verschijnen, van een beeld wat in zichzelf niet op waarneming is gericht. Ingetogen, stil en kwetsbaar staat de hertshoorn misplaatst op de stenen, buiten in een somber winters licht. Ze neemt de plaats in van het onzegbare en het onrepresenteerbare, de verborgen herinnering. Ze representeert de relatie tussen herinneringen en verschijning, tussen hier en elders, tussen toen en nu. Ondanks de beweging staat ze daar in grote stilte. Stilte is dat wat rest voor een componist om uitdrukking te geven aan wat niet uitgedrukt kan worden. Stilte is het ongrijpbare, het onmanipuleerbare, het ontsnapt aan de macht aan de controle van de maker. De stilte toelaten betekent het accepteren van een element dat zich asymmetrisch tot het menselijke verhoudt, het is radicaal anders. Ik kijk naar de video en denk dat het nu gebeurt. Ik zie de wind maar veel meer nog een onrustige stilte. De eindeloosheid van dagen met al de verloren herinneringen zijn in het groen van de hertshoorn opgenomen. Dit groen hier is als de kleur van het zijn, we zien het in vele werken van Monique terug. De video als beeld wordt aan de grens gebracht van haar verschijnen, het is de grens waar het overgaat in realiteit. Het scherm en de lens vallen samen met mijn oog. Ik ben getuige van een gebeuren van een dynamische stilte, van een beweeglijkheid die tijd en tijdloosheid naar elkaar toe drijft. En ik word me mijn kijken bewust , een kijken naar een gebeuren wat mij niet wil toelaten. Maar dat dwingt mij stil te staan bij wat mij verandert. Terwijl ik kijk geraak ik in een onbepaalde zone van denken en niet-denken, tussen activiteit en passiviteit. En dan verschijnen de twee schrandere ezels. Vele jaren zijn ze samen. Ze zijn als twee ogen. Hun fijne hoefjes gaan ritmisch en muzikaal samen. Ezels zijn tredzeker intelligent en voorzichtig. Ze stoten zich geen tweemaal aan dezelfde steen. In het beeld dragen ze de gedachten, geduld en deemoed. Daar zijn ze en niets hoef ik te begrijpen van oorzaak en gevolg. De vanzelfsprekendheid en zinnelijkheid van hun verschijnen vult het beeld. Ze stappen door de tijd en plots zijn ze indringers in de schijnbare eeuwigheid van de binnenplaats. Het nieuwsgierige gesnuffel aan de hertshoorn is satirisch. Ze vullen het beeld en het gebeuren. Ze ruiken de zoete potaarde en langzaam zie ik de hertshoorn veranderen in de belangeloze schoonheid van een ravage.
Eerst was er het beeld dat zich had vrijgemaakt van welke wil ook. De intensiteit van het beeld schuilde in het pauze-achtige waarin de tijd zich vertraagde. Even leek het een tijdloze ruimte met die eeuwige wind. Maar de mist trok op want de ezels verschenen en met hen het fenomeen van de relaties in die onophoudelijke veranderlijke wereld der verschijnselen. En zo zien we dat er zo maar opeens een niet te voorziene nieuwheid ontstaat.

‘ Voorbij de onveranderlijkheid en de monotonie die onze zintuigen, gebiologeerd door de bestendigheid van onze behoeften, eerst waarnamen, zal zij voor ons de steeds weer opnieuw beginnende nieuwheid blootleggen, de in beweging zijnde orginaliteit van de dingen.’

En wij hebben er evenals de ezels deel aan.